Huis voor democratie en rechtsstaat

Het Nederlandse stelsel is niet ziek

dinsdag 16 december 2014

Op maandagavond 1 december sloot minister Plasterk bij ProDemos de lezingenreeks over de doe-democratie af. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties reflecteerde op wat in de eerdere lezingen aan de orde is gekomen verbonden met het kabinetsbeleid.

 

De democratische rechtstaat is geen rustig bezit

plasterk3_column-1

Plasterk begint de lezing met een quote van de onlangs overleden oud-politicus Willem Witteveen: “de democratische rechtstaat is geen rustig bezit. Het is geen huis waarin we onbezorgd kunnen slapen”. Dit is een mooi motto, vindt Plasterk. Niet alleen voor vanavond, maar voor ieder die met democratie bezig is. De democratie is namelijk onderhevig aan allerlei maatschappelijke ontwikkelingen. Er is in de afgelopen 20 jaar veel veranderd in het politieke landschap. De drie systeempartijen, de PvdA, VVD en de CDA, zijn tegenwoordig niet meer de enige partijen en er is veel meer verschil tussen de huidige politieke partijen. De minister benadrukt echter dat de democratie niet ziek is, zoals oud minister-president Lubbers in zijn tijd dacht. Men is tevreden in Nederland en de opkomst bij de landelijke verkiezingen is onverminderd hoog. De opkomst bij de lokale verkiezingen is lager, maar niet alarmerend. Vaak wordt beargumenteerd dat de mate waarin het Nederlandse partijlandschap versnipperd is, een aanwijzing is dat de democratie niet optimaal functioneert. Maar in de ogen van Plasterk betekent dit niet dat het stelsel niet werkt;  het stelsel ziet juist de onvrede bij de kiezers en vertaalt dit naar politieke machtsverhoudingen.

 

Drie trends

plasterk1_column

Er zijn volgens Plasterk drie trends die leiden tot een functionerende doe-democratie. De eerste trend is de onderlinge solidariteit die zich een anderhalve eeuw geleden organiseerde: verschillende organisaties die nu we nu kennen als deel van de publieke sector, zijn ooit begonnen als burgerinitiatieven. Door professionalisering zijn deze initiatieven inmiddels geïnstitutionaliseerd tot bijvoorbeeld verzekeringsmaatschappijen en schoolbesturen. De tweede trend heeft te maken met het onderwijs: na de tweede wereldoorlog was ongeveer 5% van de Nederlandse bevolking hoger opgeleid; nu is dit ongeveer 50%. Wanneer een organisatie meer hoog opgeleide medewerkers heeft, betekent dit niet dat de organisatie meteen beter is, maar wanneer er mensen bij een organisatie werken die gespecialiseerd zijn in bijvoorbeeld boekhouden of rechten, werkt dit in het voordeel van de organisatie. De derde trend is de terugtrekkende overheid. Soms moet de overheid zich ook terugtrekken, wanneer zij een gebrek aan geld hebben.

Deze drie trends, het liefst in deze volgorde, leiden volgens de minister tot het ontstaan van de doe-democratie.

 

De doe-democratie

plasterk3_column

De doe-democratie is inmiddels een behoorlijk ingesleten begrip. Het RMO (de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling) omschreef de verandering van de taak van de overheid van “zorgen voor” naar “zorgen dat”. De mondiger wordende burger en tegelijkertijd de terugtredende overheid maken deze verandering mogelijk. Plasterk ziet veel potentie in nieuwe burgerinitiatieven en vindt dat deze zoveel mogelijk de ruimte moeten krijgen om zich te ontwikkelen. Men zou het begrip burgerparticipatie van de andere kant moeten bekijken; wanneer men niet meer spreekt van burgerparticipatie maar van overheidsparticipatie kan men echt spreken van een ondersteunende rol voor de overheid. “De vraag is, hoe vullen we dat dan in?” aldus Plasterk.

Op dit moment komen de veranderingen in de verhoudingen tussen burger en overheid tot uiting in verschillende vormen van burgerinitiatieven. Vanuit de overheid worden er stappen gezet om deze gang van zaken te stimuleren, bijvoorbeeld op het gebied van het openstellen van data. Ook benadrukt Plasterk het belang van experimenteren in wet- en regelgeving. Het invoeren van buurtrechten op lokaal niveau is hiervan een voorbeeld. Ten slotte merkt minister Plasterk op dat de overheid dienstbaar is aan de samenleving, maar ook eindverantwoordelijke blijft voor het publieke domein, voornamelijk op het gebied van privacy en juridische aspecten.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *