Huis voor democratie en rechtsstaat

Het einde van de consensusdemocratie?

maandag 16 november 2015

Op maandag 9 november beet Frank Hendriks, hoogleraar vergelijkende bestuurskunde aan de Universiteit van Tilburg, het spits af in de vijfdelige collegereeks ‘Hebben politieke partijen de toekomst?’.

Vier experts gaan in hun colleges in op vragen als: vertegenwoordigen de traditionele partijen nog wel de wil van het volk? Wat zijn de alternatieven? En wat betekent dit voor onze democratie?

Tijdens de laatste bijeenkomst gaan de directeuren van de wetenschappelijke bureaus van verschillende politieke partijen met elkaar in discussie over de conclusies uit de colleges. Lees de verslagen van alle colleges uit deze reeks.

Welke fase?

Hendriks wil met zijn college de context schetsen waarin de politieke partijen in Nederland opereren en begint daarom met een stukje theorie. In de wetenschap wordt vaak gesproken over de verschillende fasen van de democratie. Men begint doorgaans bij de geboorte van de democratie, rond 500 voor Christus. De volksvergaderingen in Athene en andere Griekse stadstaten noemen we ook wel assembleedemocratie. Dit zien we als de eerste fase in de ontwikkeling van de democratie.

De volgende fase is de representatieve democratie, die een ontwikkeling van enkele eeuwen doormaakte voordat deze in de twintigste eeuw in haar oogsttijd terechtkwam, aldus Hendriks. Vervolgens betogen sommige wetenschappers, aangevoerd door politiek theoreticus John Keane, dat we inmiddels zijn beland in een derde fase, die voor het gemak de post-representatieve fase wordt genoemd.

Hendriks ziet dat anders. Volgens Hendriks kunnen we onze huidige fase beter beschouwen als representatieve democratie plus. De representatieve democratie is verre van uitgestorven, zegt Hendriks, maar er is van alles bij gekomen. Er vindt als het ware een vermenging van verschillende vormen van democratie plaats.

Consensus- en penduledemocratie

Welke vormen zijn dat dan? Hendriks toont een schema met vier verschillende ‘grondvormen’ van democratie. Een van die grondvormen is de consensusdemocratie, die wij in Nederland kennen. Hendriks betoogt dat die vorm niet gaat verdwijnen, maar wel wordt uitgedaagd.

Verlsag1-crop2fullsize200_medium

De consensusdemocratie of coalitiepolitiek is in Nederland de praktijk op alle bestuurlijke niveaus. Hendriks legt uit dat het Nederlandse systeem gekenmerkt wordt door onze evenredige vertegenwoordiging: je krijgt zetels in een volksvertegenwoordigend orgaan op basis van het percentage stemmen dat je hebt behaald. Dit nodigt uit tot samenwerking en collegiaal bestuur: elke politieke partij weet dat er na verkiezingen coalities moeten worden gevormd en je elkaar dan nodig hebt.

Hierdoor wordt de Nederlandse politiek gekenmerkt door de harmoniegedachte. Niet voor niets hebben we het vaak over het poldermodel.

Politieke partijen in Nederland leveren de zaakwaarnemers van dat poldermodel.

Volgens Hendriks worden de Nederlandse politieke partijen gekenmerkt door:

  • Proportionele vertegenwoordiging
  • Coalitiepolitiek en collegiaal bestuur
  • Multiparty en multidimension politics

Dit laatste punt betekent dat er in Nederland meerdere dimensies, of lagen, aan de politiek zitten. Veel meer dan in bijvoorbeeld de Angelsaksische politieke traditie, waar men vooral elkaars tegenstander is. In Engeland en de Verenigde Staten is het over het algemeen vrij duidelijk: je hebt twee grote partijen die elkaar afwisselen in de machtspositie en er is een duidelijke scheiding tussen regering en oppositie. De meerderheid regeert, er is geen evenredige vertegenwoordiging.

Hierdoor bestaat voor partijen geen noodzaak om na de campagne samen door een deur te moeten en zie je veel meer een vechtcultuur in de politiek dan in Nederland. Voor kiezers betekent dit dat als de regering je niet bevalt, jouw stem de volgende keer waarschijnlijk naar de oppositie gaat. Omdat de macht op deze manier omzwaait, noemen we dit systeem penduledemocratie.

Binnen de penduledemocratie zien we sterk individueel geprofileerde politici, die wel bij een partij horen, maar vooral ook zichzelf presenteren. Uiteindelijk moeten zijzelf namelijk hun directe tegenstander in hun kiesdistrict verslaan.

Kiezers- en participatiedemocratie

Verslag-college1-1200_medium

Binnen een kiezersdemocratie ligt de nadruk vooral op directe invloed van kiezers op onderwerpen binnen de politiek. Kenmerkend zijn referenda en volksvergaderingen, zoals bijvoorbeeld in Zwitserland, waardoor er minder behoefte is aan politieke partijen als ‘tussenpersoon’.

Dreiging voor de consensusdemocratie ziet Hendriks vooral vanuit de onderkant van het schema, vanuit de participatiedemocratie, die veel activistischer is dan de kiezersdemocratie. Denk daarbij aan een beweging als Occupy, die geen partijpolitieke vertegenwoordiging nodig heeft (of, sterker nog, dergelijke vertegenwoordiging als deel van het probleem ziet).

Ook ziet Hendriks een uitdaging vanaf de linkerkant van het schema, vanuit de penduledemocratie. De invloed van de Britse en vooral Amerikaanse verkiezingscampagnes op het Nederlandse politieke landschap is zichtbaar.

Meebewegen en mengen

Partijen bewegen natuurlijk mee met deze uitdagingen. Zo zijn de achterbanraadplegingen die sommige politieke partijen organiseren een mix van consensusdemocratie en kiezersdemocratie. Ook zien we een vermenging met de penduledemocratie in de leiderschapsverkiezingen die partijen uitschrijven.

Deze interne verkiezingen voegen een antagonistisch element toe aan ons politieke landschap en verleggen de focus meer naar personen, maar onze politieke cultuur en instituties liggen nog steeds sterk verankerd in de consensusdemocratie.

Verslag1-college1-5200_medium

Daarmee zitten we, volgens Hendriks, in een soort tussenfase of spanningsveld. De politieke partijen staan onder druk; slechts 2% van de bevolking is lid van een partij en van de rest van de stemmers voelt meer dan 70% zich ook geen aanhanger van een bepaalde politieke partij.

Lange tijd gaven Nederlands weinig blijk van een hang naar sterk leiderschap, maar na de eeuwwisseling zien we een stijging tot ongeveer 50% in de Nederlanders die desgevraagd aangeven wel wat te zijn gaan voelen voor krachtig leiderschap. En dat, concludeert Hendriks, is niet de kracht van het poldermodel.

De traditionele regeringspartijen (vooral CDA, PvdA en VVD) staan extra onder druk in ons vrij versplinterde politieke landschap. Meeregeren blijkt wat dat betreft ook weinig op te leveren: op 2 gevallen na kwamen regeringspartijen na  de eerstvolgende parlementsverkiezingen terug in de regering.

Toekomst

Hoe zit Hendriks de toekomst? Allereerst geeft hij aan niet al te somber te zijn over de toekomst. Volgens hem kunnen mensen in enquêtes wel aangeven een bepaalde verandering te willen zien, maar zegt dit niets over de prioriteit die ze hieraan geven.

Verslag1-crop3200_medium

In de praktijk blijkt dat mensen vaak wel een bepaalde verandering willen, maar niet de noodzaak zien om hier direct mee aan de slag te gaan. Hendriks ontkent niet dat we in Nederland te maken hebben met enkele hardnekkige legitimiteitsproblemen, maar er is volgens hem geen sprake van een legitimiteitscrisis.

Misschien, zegt Hendriks, hebben we wel een luxeprobleem. Ons probleem met de consensusdemocratie is relatief. Ja, de politieke cultuur kan scherper, kan op punten veranderen en zal ook moeten experimenteren om gezond te blijven, maar het roer, concludeert Hendriks, hoeft niet volledig om.

Professor Hendriks maakte tijdens zijn college gebruik van een powerpointpresentatie die hieronder beschikbaar is gemaakt als download (PDF).

Collegereeks ‘Hebben politieke partijen de toekomst?’

Dit college was de eerste in een reeks van vijf. De colleges zijn tot en met 7 december elke maandagavond om 20.00 uur bij ProDemos in Den Haag (inloop vanaf 19.30 uur). Toegang voor deze colleges is gratis, aanmelden kan via  aanmelden@prodemos.nl.

16 november: Marcel Boogers – De opkomst van lokale partijen
23 november: Josje de Ridder – Is de ledenpartij achterhaald?
30 november: Paul Lucardie – Is democratie mogelijk zonder partijen?
7 december: Afsluitende bijeenkomst met de directeuren van de wetenschappelijke bureaus van de politieke partijen

Lees de verslagen en bekijk de video-opnamen van de voorgaande colleges.

Eén reactie

  1. Het einde van de politieke partijen?
    Mijn persoonlijke overtuiging? Ik denk dat ieder mens zoveel mogelijk de vrijheid moet hebben om te doen waar z’n passie ligt (binnen de grenzen van het collectieve belang) en het meest uit zichzelf moet zien te halen (whatever that may be). Mensen die zelf geen passie kennen kun je keuzes voorleggen binnen de passies van anderen (dienstbaar aan passies van anderen). Dus maximale vrijheid binnen een collectief belang. Het collectieve belang betekent ook een goed opvangnet aan de onderkant omdat dit de criminaliteit beperkt!

    Ik ben m’n leven lang overtuigd liberaal geweest, maar nooit een VVD-er. Ik denk dat ik ook heel m’n leven best sociaal ben geweest, maar nooit een SP-er, enz… enz… Reden daarvoor is dat elke partij wel goede en minder goede ideeën heeft maar dat het resultaat vooral afhangt van degene die binnen de partij het roer hanteert en dat voelt niet goed. Als je even over nadenkt kan het toch niet zo zijn dat iemand altijd voor ‘links’ of ‘rechts’ kiest omdat ze ‘werknemer’ of ‘werkgever’ zijn? Je hebt natuurlijk vanuit je eigen perspectief een zekere affiniteit met een partij (hoewel dat beeld tegenwoordig ook niet altijd helder is) maar de leider is zeer bepalend voor het resultaat. Ze hebben mij om die reden ook nooit voor een partij kunnen strikken, wel voor een persoon! Ik sta dus dichter bij de politieke leiders dan bij hun partijen.
    Joop den Uyl vond ik een geldverkwister waar ik niets mee kon en Hans Wiegel vond ik een arrogante bal, maar wel heel slim en dus kon ik daar op een of andere wijze meer mee… Dat was natuurlijk een bespiegeling vanuit mijn eigen toenmalige situatie. Toen ik namelijk mijn bedrijf begon (1985), was een BV een vies woord, ondernemers waren misdadigers en Joop kwam op voor de minder bedeelden. Ik krijg er nog een vieze smaak van in de mond. Dit soort generalisaties zijn natuurlijk dom en misleidend, maar het was wel de algemene stemming! Ondanks dit alles respecteerde ik Joop den Uyl destijds toch omdat ik er van overtuigd was dat hij oprecht was in zijn keuzes, al waren het niet de mijne. Hij was geen politieke boef. De boeven in een partij zitten meestal ook een tree lager. Zij vechten om hun plek of om een partijbelang terwijl de partijleider meer vecht voor een breder maatschappelijk belang. Ruim een jaar geleden heb ik de (lokale) VVD nog een kritische brief gestuurd met de melding dat ik me schaam voor de wijze waarop zij menen hun werk te moeten doen. Bij alle partijen zitten dergelijke adders die beter gewoon iets anders kunnen gaan doen om toch een maatschappelijke bijdrage te leveren want ze doen de politiek meer schade dan dat ze goed doen.  Alle (opr)echte politieke (dus niet religieuze!) overtuigingen die met vuur verdedigd worden door de primus inter pares van deze stromingen zijn van groot belang. Zij zijn de dragers van een visie en zoeken daarin een verdieping en zij kunnen bijdragen aan een evenwichtig bestuur, maar misschien moeten we ze loskoppelen van het partijenstelsel. Ik denk dat vrijwel ieder mens wel een gevoel heeft wat goed is voor de samenleving en wat niet en dat dit niet alleen maar in politieke hokjes te vangen is, hetgeen het partijstelsel doet vermoeden. Het is toch onzin om te denken dat alleen de SP sociaal is? Misschien zou het daarom beter zijn om al die politieke partijen af te schaffen en een basisset van kernwaarden te formuleren die tezamen voorwaarden zijn voor een goede en evenwichtige samenleving. Ik denk dan in termen van Rechtstaat, Democratie, Vrijheid van Meningsuiting, Gelijkwaardigheid, Onderwijs, Economie, Wereldvrede, Geluk, Werk & Vrije tijd, Gezondheid, e.d.. Rondom deze thema’s kunnen zich dan ‘wijzen’ verzamelen die hieromtrent plannen smeden en de democratie kiest vervolgens de verdeling/zwaartepunten van de thema’s voor een volgende kabinetsperiode. Ik weet niet of het een zinnige insteek is, maar ik weet wel dat de huidige insteek allerminst bevredigend werkt. Het vertrouwen in de politiek is er nauwelijks en wordt keer op keer (getuige ook mijn eigen brief) beschaamd, terwijl het vertrouwen in de genoemde thema’s er wel altijd zal zijn, dus misschien een overweging waard?

    Jeroen Teelen 2018

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *